Het sportveld

Als klein jongetje, opgegroeid in de jaren 50 is de gymnastiek mijn broer Ab en mij met de paplepel ingegeven. Een enkele krasse oudleerling uit de vooroorlogse tijd zal mijn grootvader Jan Hoft mogelijk nog als gymleraar hebben meegemaakt. De leraren kwamen toen nog in Jaquet naar school en tijdens de gymlessen droeg men lange vrijetijdskleding. In 1947 trad na een korte onderbreking mijn vader Auke in zijn voetsporen. Hij had evenals zijn vader in de oorlogsjaren gestudeerd aan de Academie voor Lichamelijke Opvoeding in Groningen, een van de weinige studierichtingen die toen nog open waren.

Hij vertelde dat hij, om te voorkomen dat hij voor de Arbeidseinsatz naar Duitsland getransporteerd zou worden, van de huisarts een middeltje kreeg waar hij doodziek van werd, maar dat heeft hem wel gered van deportatie. Na de oorlog, zo vertelde hij, was er niets meer. Alles moest opnieuw worden opgebouwd. De in het laatst van de oorlogsjaren gesloten school stroomde in de jaren 50 weer vol en de schoolvereniging Internos kwam weer tot leven. Bij de gymlessen werden nieuwe inzichten in de praktijk gebracht en werd de lange, onhygienische kleding van voor de oorlog verruild voor een luchtig groen kort broekje en wit shirt met korte mouwen. Aangezien we letterlijk op een steenworp afstand van de school woonden ging ik nieuwsgierig als altijd vaak even in de gymzaal kijken. Ik bonsde dan op de nooduitgang van het gymlokaal (achter op het schoolplein tegenover het huis van concierge Janssens) en dan hoorde je de een of andere leerling van binnenuit roepen: “meneer, er wordt op de deur geklopt!” Dan deed mijn vader open en mocht ik mee kijken naar de lessen. Wat was dat mooi, die grote jongens zwaaiend in de klimtouwen, slingerend in de ringen en in de rij over de bok….. hop ,twee, drie, vier….! Voor degene die bij een oefening ter plekke een goede indruk maakte schreef mijn vader in zijn agenda achter hun naam een P-tje van Prima en dat telde ook mee voor het rapportcijfer.

Overigens gaf hij nooit onvoldoendes, als de inzet er maar was. In de zomermaanden nam hij me vaak mee naar het sportveld. Daar speelde ik dan wat met een plastic autootje in het zand van de zandbak als er niet werd ver-gesprongen, maar het zand moest nadien wel weer worden glad geharkt voor de les. Vaak gingen wij ook “ballen vissen”. Dan porden we de hark in de sloot en kwamen wonderlijk genoeg oude hockeyballen vanuit het slijk plots weer boven drijven, soms wel vijf op een dag. Met name als het geregend had, want dan begon het water in de sloot te stromen en kwamen ze makkelijk boven. Mijn vader blij en ik vies, maar leuk was het! Ook in het weekeinde was mijn vader vaak op het sportveld en dan mochten mijn broer en ik tonen hoe hard we wel konden rennen of hoe ver we een kogel konden stoten, maar meestal rolde die al uit mijn hand voordat die de lucht in ging. Ook zette hij dan molleklemmen. Het was een ellende met al die mollehopen, gaten en gangen en hij was bang dat leerlingen hun enkels daarin zouden verstuiken of erger. Hij wist precies waar je ze moest plaatsen en de volgende morgen hingen ze dan dood in de klem. Daarna konden de gaten en gangen worden dichtgestampt met zand uit de zandbak. Een heel karwei wat alsmaar door ging. Op maandag begonnen de lessen dan weer, maar eerst moest boer Vries zijn schapen van het land jagen. Dat was tenminste de afspraak, maar soms lukte dat niet op tijd of onder aanmaning van mijn vader slechts op het laatste nippertje.

Later kregen mijn broer en ik zelf les van hem en het was voor hem altijd een hele toer om die uitgelaten klassen in toom te houden. Voordat de les begon moesten we sportuitwisseling veendam 2altijd eerst twee rondjes rond het veld rennen voor de warming up en ik herinner me dat we, onhandelbare pubers als we waren, bijna altijd een wedstrijdje deden wie ongezien de meeste hoeken kon afsnijden. Daarna begon de les en nog hoor ik het schrille fluitje in de lucht, rrrúúuu……úúú!!! Mijn vader stond op het standpunt dat je op die jonge leeftijd zoveel mogelijk verschillende sporten moest leren, want dat was goed voor je algehele ontwikkeling. Daarom gaf hij nooit voetbal, dat deed je maar thuis en bovendien vond hij het een onsportieve sport. Nee, sportiviteit moest je op school worden bijgebracht want het was immers lichamelijke opvoeding wat je kreeg. Waren het eerst leerlingen uit Appingedam en omliggende dorpen die de school bevolkten, al snel kwamen er met de opkomst van de industrieen velen uit Delfzijl of van elders. Zo kwamen in de jaren 50 ook de Molukkers in het kielzog van onze troepen mee naar Nederland, want “Ons Indie” was niet meer. Ook in de jaren 60 waren ze nog in Appingedam gehuisvest nadat ze eerst aan het Damsterdiep in het barakkenkamp van Defensie hadden verbleven. Dat waren trotse mensen die voor ons vaderland hadden gevochten en van wie ook enkele kinderen bij ons op school kwamen. Ik herinner me dat een van hen tijdens de atletiek les in een onbewaakt ogenblik een speer in handen kreeg en onder luid aanvuren van een stel klasgenoten de speer met een reuzenworp over de sloot wierp alwaar die zich zinderend een weg boorde in de vette klei temidden tussen de kudde schapen van boer Vries die onder luid geblaat alle kanten op stoven. Hij trots als een pauw en wij lagen dubbel van het lachen……!!

Er werd ook veel georganiseerd in die dagen. Eens per jaar was er een honkbal toornooi tussen de jongens van de hogere klassen en de Zeevaartschool uit Delfzijl. Dat waren meestal wat oudere en sterkere jongens en die wonnen vaak, maar het was dan wel een leuke dag geweest, weer eens wat anders. Aan het eind van het seizoen hadden we ook de jaarlijkse sportdagen op het Burgemeester Welleman sportpark aan de Klauckelaan. Dat was een hele organisatie en mijn vader trommelde dan vrijwilligers van de vijfde klas op om mee te helpen organiseren, want dat kon je in je latere leven ook goed van pas komen. Er waren toch altijd wel een paar leerlingen bij die niet van sport hielden en die mochten dan bijvoorbeeeld als speaker dienst doen of helpen opbouwen, het scorebord bijhouden en zo had iedereen zijn taak. De meesten van ons konden zich in de gymlessen eens flink uitleven maar drama’s waren er ook. Op een dag stoof mijn vader ons huis binnen en riep ontsteld tegen mijn moeder: “Geerie is uit de ringen gevallen! “ Tijdens de gymles was de dochter van Dopper bij het maken van een vogelnestje ineens plat op haar buik uit de ringen gevallen. Het was goed mis! Huisarts Rokus de Zeeuw erbij en Geerie naar het ziekenhuis. Ze had krampachtig de ringen vast gehouden, maar hield het niet meer en was met open mond op de grond gestort. De hap uit de kurkvloer van de gymzaal is altijd zichtbaar gebleven…….!

De Wilhelminaweg, daar stond de school, daar zag je horden kinderen uit alle dorpen uit de omtrek op de fiets het houten hek binnen zwaaien. In de zomer lagen ze met hun broodtrommeltje in de hand achterover in de tuin van Jaap Lommert of ze gingen naar het overblijflokaal achter de gymzaal waar mevrouw Janssens de scepter zwaaide met voor het eten even een minuut stilte. In de strenge winters die we toen nog hadden waren er steevast een aantal leerlingen, vaak van de boerderij, die waren ingesneeuwd. De klas was dan behoorlijk uitgedund want ze moesten dan meehelpen met uitgraven en menigeen onder ons was maar al te jaloers op dat verzetje. Soms werd er dan door school een schaatswestrijd georganiseerd op de ijsbaan bij het Damsterdiep en nog vers in het geheugen ligt het ongeval van Jan Bos die de pech had om met zijn Noren in een scheur te rijden en hij sloeg daarbij met zijn hoofd voorover keihard tegen het ijs. Gelukkig heeft hij het kunnen navertellen, maar dat duurde wel lang! In het voorjaar waren er de gezamenlijke “knobbeltochten” , waar altijd de grootste rauwdauwers voorop fietsten en eens per jaar de sportuitwisseling met Veendam. Mijn broer werd daar eens ingedeeld bij een indische familie, waar hij zeer gastvrij werd onthaald en bord na bord rijst en atjar voorgeschoteld kreeg tot hij er groen en geel van zag. Kennelijk een beetje veel van het goede. Langzamerhand braken de wilde jaren 70 aan, ook op school. Als je als jongen een beetje wilde meetellen liet je je haar groeien en schafte je een spijkerbroek met wijde pijpen aan en met een beetje zeuren kreeg je op je verjaardag een brommer cadeau, bij voorkeur een witte Puch of Thomos. Die werd snel opgevoerd en dan met je kameraad staande achter op de pakjesdrager voor de school langs scheuren, dan was je de man! Beatbandjes schoten overal als paddestoelen uit de grond en ook op school kregen we er een. Alles moest anders in de jaren 70 en iedereen was tegen. In Amsterdam werden rookbommen gegooid en liepen Provo’s rond, in Groningen speelde de musical “Hair”. Ook op onze plattelandsschool drong langzaam de nieuwe tijd door. Ineens circuleerde op school het “Rode Boekje” van Mao en mijn vader begon ons te waarschuwen voor het communistisch gevaar. De Flower Power begon. In Amsterdam doken Yoko Ono en John Lennon samen het bed in en bij ons liepen Ben Zuur en Rita Robertus zwierend door de Wilhelminaweg om even later te gaan samenwonen op een woonboot. En wie herinnert zich niet Jan Ploeg ! Met wapperende haren liep hij in de pauze opruiende pamfletten te verspreiden. Nog hoor ik de rauwe kreet van een van zijn klasgenoten: “Kom op jongens, (….zelf invullen……) Ploeg”, waarna tientallen leerlingen lachend om hem heen dromden……..totdat Dopper er genoeg van kreeg en hij van school werd getrapt. Groot was de lol toen hij even later weer opnieuw op de stoep voor de school verscheen en buiten de tentakels van de leiding vrolijk verder ging! Nog groter was de hilariteit toen er een paar weken later op school een ansichtskaart van hem uit Israel circuleerde met de groeten van hem, liggend aan de Mediterranee. Hij was er heen gelift en wenste ons uitslovers het allerbeste !! In die tijd begon mijn vader ook geschiedenis lessen te geven omdat de gymlessen hem te zwaar werden, maar alles moest anders en de “Mammoetwet” kwam als een monster op ons af. Het klaslokaal links van de ingang van de school werd door van der Wal ingericht als “Talenprakticum” en multiple choise vragen deden hun intrede. Mijn vader vond het maar niks want dat hij vond dat linkse experimenten over de ruggen van de leerlingen. Overigens hadden vele andere leraren eveneens hun bedenkingen, maar zoals gewoonlijk trok de minister trok aan het langste eind en het werd ingevoerd en was een regelrechte ramp voor de lieden die bleven zitten in de 4-e klas HBS waaronder ik. Die leerlingen en hun ouders raakten in paniek. De school kreeg een andere naam, Atheneum en duurde plotseling niet 5 maar 6 jaar en we moesten omschakelen naar een totaal ander leerconcept, zowel met de talen als met de wiskunde. Degene die niet mee wilde moest zich aanmelden bij een “bezemklas” oude stijl maar die was er alleen in Groningen en dat deed je niet zo snel. “Hard studeren jong, daar pluk je later de vruchten van” zei mijn oma altijd en later ….was het eindexamen. Dan werden we voor de uitslag in de lerarenkamer gepropt en schuifelden we zij aan zij met de rug langs het grote raam op de eerste verdieping, alleen herkenbaar aan onze kleding. Onderwijl werden we nauwkeurig gadegeslagen door in de Wilhelminaweg toegestroomde familie en vrienden die zich gespannen wachtend met bloemen in de hand voor de school hadden geposteerd. Geslaagd?…..of niet? Snel even met de duim omhoog naar het raam gedraaid en glunderen naar de vol ongeduld wachtende toeschouwers buiten alwaar zo nu en dan hoera geroep opsteeg bij het goede nieuws. Soms ook een vertwijfelde kreet: “hij heeft een her!” of een gesmoorde snik als de duim naar beneden wees. En dan zwaaide de zware voordeur open……..en was het feest !!….. de school ontgroeid, de tijd voorbij.

Maar waar blijft die tijd? Wij kinderen zijn weg, het sportveld is niet meer. De gymzaal een ruïne en het is stil rond school. In mijn hoofd het eindsignaal: rrrúúúúúúú …….en ieder ging zijn weg. Mijn vader blééf in zijn geliefde Appingedam, na meer dan 40 dienstjaren nog steeds actief en met de school verbonden tot het laatst, het was zijn leven. Actief in de schoolbibliotheek, voor de gemeente, zijn museum, thuis, waar hij nog regelmatig contact had met oud-leerlingen. Daar zie ik hem in het voorjaar voor ons raam langs fietsen, de eerste les op het sportveld, disci in de fietstas, een net ballen aan het stuur en speren onder de arm. En ja……, na al die jaren hangen zijn fluitje en de bokshandschoenen nog steeds aan een koortje op onze zolder. Waar blijft dan toch die tijd, verleden, heden, toekomst nauw verweven, als kind spontaan, als mens gegroeid, een bloem verwelkt, een nieuwe knop, de Reunie………!!, ’t verleden herbeleven. Mijn vader is op 10 maart 2015 op 91 jarige leeftijd in zijn slaap overleden. Op het nachtkastje naast hem de NRC, een geschiedenisboek en een schoenendoos vol oude agenda’s, met daarin de namen van oud-leerlingen, soms met een P-tje erachter en een kruisje door iedere doorleefde dag. Aan allen, Weest gegroet!

Afdrukken